CENTRAAL ONDERNEMINGSBEGRIP

Het wetboek van koophandel maakte een onderscheid tussen handelaars (“kooplieden”) en niet-handelaars. Dit onderscheid was van belang voor de bevoegdheid van de rechtbank, het toepasselijke bewijsrecht en het toepassingsgebied van de faillissementswet. Sedert 01.11.2018 werd een centraal ondernemersbegrip ingevoerd en werd de rechtbank van koophandel omgevormd tot de ondernemingsrechtbank.

  1. Het nieuwe ondernemingsbegrip

Een onderneming is voortaan (i) elke natuurlijke persoon die op zelfstandige basis een beroepsactiviteit uitoefent, (ii) elke rechtspersoon en (iii) elke organisatie zonder rechtspersoonlijkheid.

Er wordt derhalve niet langer gekeken naar de aard van de handelingen (burgerlijk of handelskarakter) die gesteld worden, maar wel naar het statuut of de rechtsvorm van de persoon die ze stelt. Concreet betekent dit ook dat een bestuurder van een rechtspersoon voortaan een onderneming is omdat hij/zij op zelfstandige basis een beroepsactiviteit uitoefent. Ook een vzw zal een onderneming zijn louter en alleen omdat zij een rechtspersoon is.

Eveneens buitenlandse organisaties vallen onder de toepassing van het Belgisch ondernemingsrecht. Bijvoorbeeld de trust.

  1. Gevolgen in de praktijk

2.1.     Ondernemingsrechtbank

Het invoeren van het nieuw ondernemingsbegrip heeft tot gevolg dat voortaan alle ondernemingen hun geschillen aanhangig dienen te maken voor de ondernemingsrechtbank.  Dit kan alleen maar toegejuicht worden, vermits de ondernemingsrechtbank als gespecialiseerde rechtbank dé rechtbank bij uitstek is om geschillen tussen ondernemingen te beslechten.

Voorheen moesten rechtspersonen of ondernemingen met een burgerlijk doel, waaronder de vrije beroepers, de landbouwvennootschap en de vzw’s en stichtingen, hun geschillen immers inleiden bij de rechtbank van eerste aanleg.

De rechtbank van eerste aanleg is echter de rechtbank voor particulieren en consumenten.  Er is immers geen enkele reden om burgerlijke ondernemingen aan een andere rechtbank te onderwerpen dan commerciële ondernemingen.

2.2.     Vrij bewijsrecht

Kooplieden konden steeds gebruik maken van een vrij bewijsrecht. Dit hield in dat zij hun vorderingen steeds konden aantonen met alle middelen van het recht, inclusief getuigen en vermoedens. De burgerlijke rechtspersonen en/of ondernemingen daarentegen waren gebonden door een strikt gereglementeerd bewijsrecht. Zo dienen zij elke vordering boven € 375,00 te bewijzen door middel van een geschrift en zijn getuigen en vermoedens uitgesloten.

Door de gelijkschakeling van kooplieden met de burgerlijke rechtspersonen en/of ondernemingen zullen alle ondernemingen voortaan het vrije bewijsrecht kunnen toepassen, hetgeen een aanzienlijke verbetering is voor de burgerlijke ondernemingen en kadert in de flexibiliteit van het ondernemingsleven.

2.3.     Faillissement

Tenslotte is op 1 mei 2018 het nieuwe faillissementsrecht in werking getreden. Hierbij opteerde de wetgever eveneens om het ondernemingsbegrip in te voeren en derhalve het faillissement niet langer exclusief voor te behouden voor kooplieden. Voortaan kunnen dus ook rechtspersonen of ondernemingen met een burgerlijk doel, waaronder de vrije beroepers, de landbouwvennootschap en de vzw’s en stichtingen, in faling verklaard worden.

 

Nog vragen? Neem gerust contact met ons op (011/666.444 of Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.)